Verhaal van J.F. Vogel over zijn werkzame leven als hofjager op "Het Loo" van 1906 t/m 1955. Hij heeft dit verhaal geschreven en sinds enige tijd is het in mijn bezit gekomen. Het is zijn verhaal met hier en daar een kleine aanvulling van mijzelf. Ook de foto's in het verhaal zijn door mij toegevoegd.

Berry Meester


Herinneringen aan mijn belevenissen dat ik werkzaam was in Koninklijke Dienst, bij de Koninklijke Houtvesterijen te "Het Loo" van 1906-1955, vermeldt door oud-hofjager Johannes Franciscus Vogel.

Inleiding

Zo waar een lange tijd, waarin véél op bosbouw- en jachtgebied heeft plaats gevonden. Mijn laatste chef was de thans nog in dienst zijnde Opperhoutvester en Jagermeester Jhr. E. Reinders die zijn benoeming als Koninklijk Houtvester van de Koninklijke Houtvesterij Hoog Soeren in 1946 aanvaardde. Vanzelfsprekend werd er door ons beiden over vroegere tijden gespraat en had ik het vermoeden dat er wel eens aan gedacht werd, dit de moeite waard was, op schrift te stellen. Zelf kwam ik hier uit bescheidenheid, niet aan toe.

Op 30 december 1970 nam mevrouw J.H.H.A. van Lawick van Pabst afscheid als Intendant van het Koninklijk Paleis en Domein Het Loo. Er bestond die avond, voor diegenen die met haar hadden samengewerkt, gelegenheid bij dit afscheid aanwezig te zijn. Ze was mij steeds bereidwillig tegemoet getreden bij verzoeken tot het houden van excursies op paddenstoelengebied, het rondleiden van groepen, waarvoor ik mijn voordrachten met dia’s over de geschiedenis van het Koninklijk Paleis en Park over Het Loo in den lande had gehouden (en nog steeds houd) enz. enz. Het was dus mijn aangename plicht hier tegenwoordig te zijn. Zij stelde mij voor aan haar aanstaande schoondochter, haar enige zoon kende ik reeds. Deze vertelde mij, dat haar moeder, deel uitmaakte van het bestuur der Koninklijke Stichting voor Tuinbouw en Plantkunde te Bergen (NH) en dat zij erg genoten had van mijn Loo lezing, die ik aldaar heb gehouden. Tijdens dit gesprek, kwam ook de heer Pieter van Vollenhoven op ons af en maakte ik voor het eerst kennis, alsmede met H.K.H. Prinses Margriet. De heer van Vollenhoven had blijkbaar al wel eens iets over mijn bestaan vernomen en moest ik hem, bij handdruk, beloven mijn belevenissen eens op schrift te stellen. Hij zou mij daarbij, indien nodig alle hulp aanbieden. En zo was het einde der afscheidsreceptie gekomen. Ik werd op verzoek van mevrouw Van Pabst aan haar zoon en aanstaande schoondochter gedaan, keurig met hun auto naar mijn woning gebracht. Mijn natuurhistorische bibliotheek werd nog even in ogenschouw genomen en vooral de paddenstoelenboeken, vier dikke delen, van Michael Henning trokken bewondering, vooral bij de jonge dame, die er reeds veel vanaf wist. Ik raadde haar aan, onmiddellijk lid te worden van de Nederlandse Mycologische Vereniging! De paddenstoelenflora van het Koninklijk Park had zij blijkbaar al goed bestudeerd. Bij gehouden excursies werden wel meer dan 100 soorten aangetroffen, waaronder zeldzame. Laat ik dan thans aanvangen met de geschiedenis uit het rijke verleden.

Jeugd

Vader was Adjudant Onderofficier Parkopzichter, een oude instelling van wijlen Z.M. Koning Willem III was, dat militairen zijn paleis moesten bewaken. Vier waren er in 1901 aangesteld, namelijk Herman Wilhelm Botzen (1834-1926), die opzien baarde door aanwezigheid van een lange spierwitte baard, Luter Arnold Antonie de Ruiter (1848-1913), Albertus Derickx (1854-1924) en Ernst Hermann Vogel (1861-1941).
Zij waren ondergeschikt aan de heer Joan Albert van Steijn (1855-1926), Intendant van het Koninklijk Paleis en Domein van Het Loo. Hun dienst bestond uit drie uren wacht vóór het paleis en drie uren surveillance door het Koninklijk Park, hetgeen te voet geschiedde. Tevens hadden zij de taak om eens per maand en een week de zogenaamde klompenwacht ’s-nachts te visiteren. Deze wacht bestond uit arbeiders uit het Koninklijk Park, die de wacht gedurende twee uren betrokken vóór en achter het paleis en telkens werden afgelost. Er werden in die tijd prentbriefkaarten van deze wacht verkocht.

De voormalige klompenwacht voor het Paleis het Loo. Van links naar rechts: de heren Nijboer, Janssen, Smit en Brinkman

Meermalen maakte ik met mijn vader de grote wandeling mede ter controlering van de afrastering, rondom het Koninklijk Park, die iedere week door één parkwachter moest plaatsvinden. Deze afrastering bestond uit Palissander en meermalen was er van onderen een stuk plank afgezaagd, om clandestien in het park te kunnen komen, vooral in de bosbessentijd en teneinde karpers uit de vijvers te vangen, kwam dit voor. Ik was toen elf jaar, wij woonden op Emma’s Oord, de oude benaming was ,,Bosloo”, het waren twee blokken van woningen elk voor drie gezinnen, daar door Z.M. Koning Willem III geplaatst voor zijn personeelsleden. Na zijn huwelijk met Prinses Emma van Waldeck Pyrmont werd het gedeelte van het Achterpark, waar dit complex woningen stond, "Emma’s Oord” genoemd ter ere van Koningin Emma. Zij stonden buiten de afrastering van het Koninklijk Park. Er stonden ook enkele woningen, die door het personeel van het paleis werden bewoond. Het was daar in het Achterpark een heerlijk buiten wonen te midden van de 50-jarige gezaaide grove dennenbossen, waar edel- en damherten rondzwierven.

Achterpark - Emma's Oord.

Ik ging op school te Apeldoorn op de J.H. van Kinsbergenschool, daar werd tevens de Franse taal onderwezen en mijn ouders vonden het wenselijk dat ik daar ook iets van meenam. ‘k Heb er werkelijk ook op bescheiden wijze plezier van gehad in latere jaren. Deze gezonde wandeling naar school, nam wel een uur in beslag, overal was wat te zien. Bij de woning van de Wildmeester Paul Hermann Beijer (1868-1946) stond adjudant De Ruiter mij op te wachten om zijn surveillancerapport mede naar het Paleis te nemen, alle vier moesten zij vermelden de gemaakte route door het park, wie zij van de Hofhouding hadden ontmoet en waar dit plaats vond. Deze vier rapporten moesten dan om negen uur bij de Intendant worden ingeleverd die daaruit zijn conclusies kon trekken. Mijn vader vond dit eigenlijk een overbodig iets en meestal stond er dan op zijn rapport ,,Geen bijzonders”. De heer Van Steijn maakte daar wel eens een aanmerking op en moesten er wel eens enige bijzonderheden vermeld worden.
Dan kwam ik bij het Koninklijk Paleis en bekeek al het moois, dat de Koninklijke Stallen te geven hadden. De stallen bevonden zich toen in de linkervleugel van het paleis waar nu de bioscoopzaal zich bevindt. Tevens woonde daar de stalmeester, de heer Franz Heinrich Bielefeld (1858-19?), hij was een Duits ritmeester en in ca. 1895 door H.M. Koningin Emma als zodanig aangesteld. Hij droeg een keurig blauw uniform, afgezet met zilveren kraag en tressen. Heer Bielefeld was gehuwd met Anchen Behrendt uit Herford. Haar zuster Clara Behrendt trouwde later met de wildmeester P.H. Beijer, die elkander op Het Loo ontmoeten. Paarden werden af- en aangebracht en voor de afrijbrikken gespannen. Om een rit door Apeldoorn of door de bossen te gaan maken. Ook waren daar de Koetsier-Majoors druk in de weer, het waren de Mecklenburgers Joachim Johann Karl Martin Schwebke (1865-1944) en Hermann Carl Wilhelm Ahrendt (1864-19?), door Z.K.H. Prins Hendrik meegebracht. Rijknecht-Majoor Henri Arend Baaij (1864-1941) regelde alles wat de rijpaarden aanging. De Hollandse Majoor Sterkenburg deed ook zijn best. Af en toe was ook de Opper-Stalmeester Baron Bentinck aanwezig.
‘k Had dan nog een flinke wandeling voor de boeg en enkele van de koetsiers kenden mij. Dan moest ik de Paleislaan inlopen en mocht dan op de treeplank achterop de brik springen en reden zij mij naar school. Er waren ook koetsiers die mij er met hun lange zweep afsloegen, vooral als er een vierspan voor de brik gespannen was.

In 1905 had ik de van Kinsbergenschool afgelopen en werd mij door het hoofd der school, de heer Willem de Bruin (1847-19?), verzocht mijn vader te vragen, eens bij hem te komen praten. Dit gebeurde dan en raadde hij aan, mij naar de koninklijke H.B.S. te sturen. Vader ging hier niet op in, ten eerste konden de kosten hiervoor (fl. 60,- per jaar) niet betaalt worden en dan nog de dure boeken erbij, ’t ging niet in vervulling. Maar er was nog een andere oorzaak! Z.K.H. Prins Hendrik kwam mij dikwijls in het Koninklijk Park tegen en vroeg mijn vader, mij op te laten leiden voor het bos-, landbouw en jachtvak. Z.K.H. de Prins had namelijk Duitse hofjagers uit Mecklenburg mee naar Het Loo gebracht. Deze werden ondergebracht bij bewoners op Het Loo, zij vonden dit bepaald niet zo gezellig, er ontstonden taalmoeilijkheden, zij waren verloofd en wensten ook wel te huwen.
Op 19 april 1902, de 2e verjaardag van de Prins in Nederland werd de eerste steen gelegd door H.M. de Koningin en Z.K.H. de Prins voor de bouw van het Jagershof, dat als woning zou dienen voor de beide hofjagers. De gedenkplaat dezer gebeurteniss bevindt zich nog aan de achterzijde van het huis. Na het huwelijk dezer hofjagers, namelijk Karl Friedrich Wilhelm Vogt (1872-19?) en Bruno Wasgien (1876-1903) werd de woning door hen betrokken. Om het deze mensen wat gezellig te maken, gingen mijn vader, moeder en ik daar dikwijls op bezoek. Later kwam ik daar ook als babysitter, als werd uitgegaan en laat thuis gekomen. Allerlei Duitse boeken op jacht- en bosbouwgebied werden mij ter bestudering voorgelegd en het meest interesseerde mij Ratzeburgs Waldverderben, ‘k was namelijk al een verwoed insectenverzamelaar en hoe ik er toe kwam, stelde groot belang in het kennen van Latijnse namen. Dit is mij mijn gehele leven bijgebleven, ook van planten, paddenstoelen enz.

"Het Jagershof", een dubbele villa waar de gezinnen van de hofjagers, Karl Vogt en Bruno Wasgien woonden.

Mijn schoolvriend was Rutger de Greve (1892-1968) (helaas reeds overleden). Zijn vader was gepensioneerd Kolonel en woonde aan de Bas Backerlaan 10, te Apeldoorn. Zijn oudere zuster huwde de hofarts Leendert Pot (1863-1935), wonende aan de Loolaan, weduwnaar met één zoon, Joost. Joost was in het bezit van een ezel met wagen en elke Woensdag- en Zaterdagmiddag kwamen zij naar Emma’s Oord, reden dan het hek aan de Amersfoortsestraatweg binnen. Het Achterpark was ons operatieterrein en werden herten bekeken die in de omgeving van de Dutteld werden gevoerd door de oude Jachtopziener G.W. Bastioni die ook op Emma’s Oord woonde. Deze speurde dan de wagen en wilde wel eens weten wat dit te beduiden had. Dan op een middag had hij ons te pakken en kregen wij te horen, dat hij de wildmeester Beijer hiervan op de hoogte zou stellen. Deze vatte onze rijerij nu niet zo kwaadaardig op en aangezien hij ook een goede bekende van dr. Pot was mocht het wel door gaan als wij het wild maar niet verstoorde. Hier was vanzelfsprekend ook geen sprake van. Dit waren voor ons drieën de aangenaamste excursies. Rutger ging naar de H.B.S, vertrok ná Delft naar de West en van Joost werd niets meer vernomen.

De leertijd op "Het Loo" breekt aan

Februari 1906 moest ik met vader, mij presenteren bij de heer Gulian Eduard Hugo Tutein Nolthenius (1860-1935), toen Inspecteur der Koninklijke Houtvesterijen. Hij woonde in de grote villa op de Paslaan 16, hoek Kerklaan en verhuisde enige tijd later naar de Loolaan hoek Sprengenweg, huize ,,De Roskam” waar thans de dienst der Landelijke Eigendommen der Gemeente Apeldoorn gevestigd is. Wij kregen daar te horen, dat het de wens van Z.K.H. de Prins was, dat ik opgeleid zou worden voor het Bos- en Jachtwezen en dat de Koninklijke Houtvester Paul Hermann Beijer mijn leermeester zou zijn. Ook de zoon van de Jachtopziener Gerrit Spek (1857-1947), die tegenover de Echoput woonde, Jan Spek zou als leerling aangenomen worden.
’s Morgens 8 uur kwamen wij dan naar de woning aan de Koningslaan, om onderricht te ontvangen of uitgestuurd te worden voor diverse te verrichten werkzaamheden. De heer Beijer die eerder de titel van Wildmeester had (in 1898 door Koningin Emma aangesteld) was intussen door Z.K.H. de Prins benoemd tot Koninklijk Houtvester (1906). De inspecteur der Koninklijke Houtvesterijen, de heer G.E.H. Tutein Nolthenius, werd benoemd tot Opperhoutvester van H.M. de Koningin en beheerde als Rentmeester van het Kroondomein tevens de Houtvesterijen Hoog-Soeren Zuid, Noord en West, zijn boswachters waren Reinder Eikendal (1844-19?), Hendrik Schuurman (1845-19?) en A.W. Reinders (?).
Houtvester Beijer beheerde de Boswachterij Het Loo met Bosbaas Wolter Berkenbosch (1869-1957), die zijn opleiding had verkregen in Frederiksoord, destijds nog bosbouwschool onder de directeur Sprengler. Tevens beheerde Beijer de boswachterij Uddel met als Boswachter Jacob Carl August Köpcke (1873-19?) en Bosbaas Dries van ’t Slot (1863-1940), die met de verkoop der Uddeler Heegde (1905) in Koninklijke dienst mede overging. Köpcke was voor ons een vreemde eend in de bijt, was een zoon van de Rotterdamse cargadoor en kon in Uddel moeilijk wennen. Er werd op Het Hof een nieuwe boswachterswoning voor hem en zijn gezin gebouwd. (Het z.g. Hof te Uddel werd in 1845 als domein verkocht aan J.R. Kemper, die het in 1884 weer verkocht aan Prof. W. Sanger, hoogleraar te Groningen. Na de dood van Prof. Sanger werd Het Hof door de familie in 1899 verkocht aan H.M. de Koningin.) Ook had hij geen bosbouwkundige opleiding genoten en volgde de cursus A. van de Nederlandse Heide Mij. Van 1905-1907, Van ’t Slot deed verder het werk. Hij wenste door de arbeiders mijnheer Köpcke genoemd te worden, maar kreeg het in Uddel niet gedaan dat men zijn echtgenote met mevrouw aansprak, zij bleef de juffrouw. De familie vertrok dan ook spoedig naar Kopenhagen waar hij in de visconservenhandel terecht kwam. Bosbaas Van ’t Slot betrok de woning op Het Hof. Voorheen woonde hij in de Uddeler Heegde. De voorwerker Jan Kok bewoonde het huis en zijn echtgenote hield boven de jachtkamer schoon.
Houtvester Beijer was een uitstekende leermeester voor ons, zelf had hij bosbouw en jacht in het Saksische Tharandt gestudeerd. Hij leerde ons tevens het landmeten met boussole en kompas. Het eerste object was het Hertenkamp +/- vijf hectare groot, vlijtig werden de gegevens in kaart gebracht. Wat ingewikkelder was de opmeting van het Doorngat in het Heemvelderbos met al die kromme wegjes er doorheen. Op de kadastrale kaart had men er maar wat van gemaakt. Nog even is het wel aardig mede te delen, dat het gehele Meervelderbos in 1832 is afgebrand en het Doorngat als loofbos was blijven staan.

In 1895 waren de Kroondomeinbossen afgerasterd en de particuliere bezittingen kregen in 1896 hun afrastering. Hierbij behoorden het Achterpark, Koningsbos, de tra langs het Wieselsebos aansluitend aan het Kroondomein. In 1901 werd het raster weder verzet naar de Loudonsberg, Koningshout aansluitend aan Kozak met Hooge Duivel. In 1904 werden Heemvelderbos en Uddeler Heegde erbij omrasterd. In 1917, alles ten noorden van Loudonsberg tot en met Gortel. Aanvang 1900 werden de Koninklijke bezittingen van 6000 naar 10.300 hectare vergroot (incl. het Kroondomein gebied +/- 3400 ha).
De Loudonsberg is genoemd naar Jagermeester Frederik Willem Jacob Loudon (1862-1935). Deze heer was Ordonnance Officier van Hare Majesteit de Koningin en werd in +/- 1903 door H.M. benoemd tot Jagermeester. Hij bewoonde enige tijd de voor hem gebouwde villa aan de Waldeck Pyrmontlaan (Nu Zwolseweg), deze villa is voor enige tijd afgebroken, het koetshuis is nog aanwezig aan de Loseweg. Door omstandigheden, meningsverschillen tussen hem en Z.K.H. de Prins en heer Beijer, nam de heer Loudon zijn ontslag als Jagermeester en was in zijn plaats de heer Tutein Nolthenius benoemd.

De gesloopte villa aan de Zwolseweg, destijds gebouwd voor jagermeester Frederik Willem Jacob Loudon

In 1901 werd het raster weder verzet naar de Loudonsberg, Koningshout aansluitend aan Kozak met Hooge Duivel. In 1904 werden Heemvelderbos en Uddeler Heegde erbij omrasterd. In 1917, alles ten Op de jachtlappen die tot afschrikken van het grofwild op de drijfjachten werden gebruikt staan nog de letters LOU JGM (op de zéér oude) en TUT NOLTH JGM op de later aangemaakte. Op meerdere achtereen volgende verjaardagen van Z.K.H. was zijn verjaardagsgeschenk van de Koningin telkens 250 meter jachtlappen. De zorg voor dit alles was mij toebedeeld, touw en linnen aanschaffen, schilder Willem de Grip uit de Loseweg kreeg de sjablonen om de lappen te beschilderen, in totaal waren allengs meerdere kilometers aanwezig. Wij als leerlingen gingen ook de landbouwschool bezoeken, want dit was nodig voor het toelatingsexamen voor de school der Heide Mij. Op het bureau van dhr. Tutein Nolthenius, van zijn woning te Apeldoorn, werd alles bewerkt, de werkstaten in werkboeken opgenomen en met de hand geschreven. Van schrijfmachines was nog geen sprake. Alle 10 dagen trok ik naar het Hof te Uddel om deze werkstaten op te maken, want de Bosbaas van ’t Slot was nu niet bepaald zo administratief ingesteld. Als alles was ingeschreven en nagerekend werd het geld voor de arbeiders eerst op het bureau voorgeteld en naar Uddel gebracht, (alles per rijwiel) en uitbetaald. Vele arbeiders konden hun naam niet schrijven en werd het door een kruis gewaarmerkt.
In de omgeving van Pannekoeksdennen in het Noorder gedeelte van het Wieselsebos werden in 1905 en 1906 stukken heide met de ossen van de Heide Mij. geploegd en beplant met twee jaar grove dennen. Ook in de Boswachterij Uddel, de Hordenberg en het Ossenveld werden evenzo bewerkt. Daarna deed de stoomploeg van de firma Ottomeyer uit Westfalen haar intrede op de Wieselse heidevelden. Deze gronden moesten eerst worden aangekocht van particulieren, en het was Z.K.H. de Prins, die dit stimuleerde. Maar het was wel wenselijk, indien de verkopers niet wisten dat deze gronden voor Z.K.H. bestemd waren, want dan zouden de prijzen snel stijgen. De Houtkoper Herman Huijskamp werd als stroman in de arm genomen en het gelukte hem, vele hectaren te kopen, als het ware voor hemzelf. Heel erg duur ging het niet, +/- fl. 25,- per hectare maar toen men later toch lucht van de zaak kreeg stegen de prijzen. Met de Wiesselse Mark, die een groot oppervlak bezat werd met de erfgenamen onderhandeld. In dit heidegebied lag ook een vrij grote waterplas ,,De Fles” genaamd, waar wij als schooljongens gingen schaatsrijden, nu heet de aangelegde wildakker nog steeds “De Fles”.
Dit grote heidegebied, honderden hectaren groot, werd door de stoomploeg omgewoeld. Z.K.H. ging dikwijls kijken en onderhield zich gaarne met de Duitse ploegers en zag in zijn gedachten reeds de dichte dennenbossen, die dekking zullen geven aan rood-, dam-, en zwartwild.
Het ploegen was ook niet zoo kostbaar, fl. 25,- per hectare met de tweeschaar en fl. 40,- met de éénschaar. Er werd gepeild met het peilijzer en waar bank zich bevond, werd de éénschaar gebruikt tot een halve meter diep. Twee grote lakomo-wielen stonden +/- 125 meter uit elkaar en trokken de ploeg heen en weer. Tot vijf hectare kon men gemiddeld per dag ploegen. Een waterwagen reed naar het Ruitersgat om water te halen voor de ketels der lokomobielen. De Duitse ploegers en machinisten woonden in een woonwagen en een aangestelde kok zorgde voor de eterij. Z.K.H. hield dikwijls een praatje met deze Duitse gasten.

Fotokaart verzonden in 1910 van de stoomploeg van de fa. Friedrich Ottomeyer uit Westfalen op de Wieselse heidevelden.

Daarna volgde beplanting dezer grote vlakte. Er werden eerst wegen uitgezet, allemaal recht! Dit al voor in de toekomst te houden jachten. Wij kennen de namen dezer wegen nog: Kroezeweg – Dalweg – Middenweg – Bovenweg enz, alle lopende van Oost naar West en de verticale wegen kregen letters, A weg, B weg enz. Ook kennen we daar nog namen van de vroegere eigenaren van de grond; o.a. Peter Pas, Zwerusdennen, Boelesveld.
Langs deze wegen werden brede en smalle berkensingels aangelegd, (de berken 1 st. hoog kostten fl. 10,- per duizend stuks) die later als brandkering konden dienen. De benodigde twee-jarige grove dennen werden voor een deel uit eigen kwekerijen verkregen, namelijk die bij de boerderij in het Koninklijk Park, in het Prins Hendrik Park en op Het Hof. Eerst zaaien op bedden en daarna als éénjarige verspenen met de verspeenhark à fl. 0,25 per 1000 stuks. Flinke arbeiders deden er 5000 per dag en verdiende daardoor fl. 0,25 meer. Het dagloon bedroeg in die tijd fl. 1,- Het is Z.K.H. de Prins geweest, die de daglonen in die tijd van fl. 0,90 op fl. 1,- bracht. Nog in leven zijnde oude arbeiders weten dit nog te vertellen en spreken daar nog hun grote vreugde over uit.
Ool kwamen duizenden grove dennen uit Zundert en toen bleek dat het benodigde aantal niet toereikend was, werden door houtvester Beijer ook 2-jarige dennen besteld bij de firma Heins Söhne in Halstenbeek bij Hamburg.
Het planten ging in aangenomen werk voor fl. 16,- per hectare. De volwassen arbeider maakte het plantgat met de plantschop, mocht deze volstrekt niet naar zich toe en van zich af bewegen, doch van links naar rechts anders ontstond er een holte en hingen de wortels in de lucht en kwijnde de den en ging dood. De man had dan één van zijn jonge dochters of zoons bij zich, die de den in het plantgat stak en werd dan door de plantschop aangedrukt. De te beplante dennen bevonden zich in daartoe vervaardigde houten- en zinken bakken, die telkens werden gevuld op de ingekuilde dennenplaatsen. Plantafstand 0,70 cm. In driehoeksverband +/- 20.000 per hectare.
Waar de grond daartoe geschikt bleek te zijn, werden ook eiken- en beukenheesters geplant. In de eerstvolgende jaren hadden de geplante dennen flink door het ,,schot” te lijden, doch deze kinderziekte herstelde zich gelukkig snel. Hier en daar moest worden ingeboet. Korhoenders waren er genoeg, die ’s morgens bij het licht worden, op de geplante dennen neerstreken om er de eindknoppen af te bijten. Half volwassen jongens en meisjes uit Uddel en Elspeet waren dan tijdig in de vroegte aanwezig om deze zeer schadelijke vogels te verjagen. Tevens werd in deze ontginning van honderden hectaren de aanleg van wildakkers niet vergeten, namelijk: ,,De Fles”, Peter Pas, Bovenweg, Kruisakkersen in het Wieselse en Gortelse gedeelte, de wildakker ,,De Koningshout” was al eerder aangelegd.
Intussen was de leertijd van 1906-1909 bij houtvester Beijer ten einde, Jan Spek en ik kregen een uitstekend getuigschrift van hem mede. Mij werd aangeraden door mijn leermeester, het toelatingsexamen voor de afdeling B. der Heide Mij. te doen, hij meende, dat ik daartoe volkomen in staat zou zijn. Maar indien men dan voor dit examen zakte, werd men niet toegelaten voor het A, waarvoor de eisen veel minder waren gesteld. Dan was het weer enige jaren wachten voor de volgende cursus. Ik deed het en slaagde en Jan Spek slaagde voor A. Ook was er nog een derde kandidaat, H.J. Schilperoort, die als leerling bij Houtvester W.A. Salm te Vaassen had gewerkt. Hij had vier jaren H.B.S. te Apeldoorn doorgemaakt en slaagde ook voor B. Onmiddellijk na de aanneming voor de school der Heide Mij. werden wij op diverse werken der Mij. praktisch te werk gesteld. Dat werd flink aanpakken, want er werd later ook op je cijferlijst een praktijkcijfer gegeven, dat van grote invloed was wanneer men dan na afloop der school als ambtenaar bij de Heide Mij. aangenomen werd.

Zo kwam ik terecht in de Peel bij Gemert. De heren Waterschoot van de Spacht bij Roelvink hadden daar grote complexen heidegrond aangekocht. Ze waren beide geïnteresseerd bij de Limburgse kolenmijnen en wilde grove dennenbossen aanleggen, om later mijnhout te kunnen afleveren. Het was een vrij nat terrein met hoge waterstand in de winter, zodat sloten moesten worden gegraven. ‘k Werd ingezet bij de waterpersingen, egalisatie van het terrein enz. Er was reeds met dennen beplant en begin april maakte ik nog een grote planterij mede. Daarna kwam mijn overplaatsing naar het Zeijerveld bij Norg in Drenthe, eigenaar Jhr. Röell, mooie boerderijen waren daar reeds verrezen o.a. de ,,Juliana Hoeve”. Vandaar ging het van de reinigingsvelden bij Coevorden (drainageleer) en daarna 1 oktober naar de school te Utrecht. Daar moest flink aangepakt worden, de directeur W.H. Wisselink had voor alle leerlingen voor goede kosthuizen gezorgd.

Wij stonden onder goed toezicht, konden iedere avond bezoek verwachten van de directeur, om te controleren, dat we niet de straat op waren want er moest geleerd worden. De lessen werden gegeven in gebouw ,,Irene” in de Keistraat te Utrecht. Na afloop in maart wederom in de praktijk, dit maal in de Achterhoek, aanleg rijwielpaden, omgeving Leersum, voor de 2e keer naar Utrecht, lessen in gebouw ,,Nieuweroord”.

In maart 1911 werden de diploma’s uitgereikt door de directeur der Ned. Heide Mij. de heer A.A. Nengerman. ‘k Was zeer verheugd te vernemen dat ik nu was geslaagd met het hoogste aantal punten. Na afloop moest ik bij de directeur verschijnen en vroeg mij wat mijn toekomstplannen waren. Ik vertelde hem dat ik naar Het Loo ging om werkzaam gesteld te worden in de Koninklijke Houtvesterijen aldaar. De heer Nengerman vroeg mij of ik geen idee had om bij de Heide Mij. te komen, hij meende dat daar een betere toekomst voor mij zou zijn weggelegd. Ik moest er thuis maar eens met mijn ouders over praten en dan vernam hij dat wel. Maar het was ook Z.K.H. de Prins die op mij rekende na afloop der studie en zodoende ging werken bij de Heide Mij. niet door.

De heer Beijer, mijn vroegere leermeester, sprak zijn verheugenis uit, dat alles zo perfect met mij was verlopen. Zijn getuigschrift van mijn leertijd 1906-1909 zijn mij door hem uitgereikt, was zeer tevredenstellend.

Na de leerlingentijd op Het Loo, werden de werkzaamheden op Het Loo steeds uitgebreider. De boswachter W. Berkenbosch die op Emma’s Oord woonde, moest een kantoor aan huis hebben, er werd tenslotte overeengekomen, dat hij de woning van houtvester Beijer aan de Koningslaan kreeg toegewezen.
Voor houtvester Beijer werd in 1908 een nieuwe villa aan de Amersfoortseweg 1 gebouwd. Het terrein behoorde aan het Staatsdomein. Bij de aanvang is hier een waterpassingsfout gemaakt, het huis zou een meter hoger komen te staan na de egalisering van het terrein. Oorspronkelijk bevond zich daar een zandkuil waar de jeugd zich amuseerde. In plaats van een meter hoger kwam het een meter lager te staan. Bij grote sneeuwval en daarna dooi, staat het huis rondom flink in het water.

Begin maart 1909 was de woning gereed gekomen en vond een feestelijke inwijding op een avond plaats, nog juist maakte ik het inwijdingsfeest mede voor de cursus begon.

De villa voor Houtvester Beijer aan de Amersfoortseweg 1, in 1908 gebouwd naar een ontwerp van Arnhemse architect H.J. Tiemens.

Van 1911 tot 1914 bleef ik werkzaam bij de heer Beijer, behandelde de kantoorwerkzaamheden, rekeningen, leveringen, houtregisters, controle werkstaten, opmetingen ploegterreinen en wanneer er jachten waren , werd ik hierbij tevens ingeschakeld. De jachtwildboeken werden door de toen aangestelde hofjagers die op Jagershof woonden bijgehouden, alsmede de verkoop van het wild aan poelier Driessen te Apeldoorn geregeld. Veel brachten de herten niet op, fl. 10,- was in die tijd maximaal.

Mijn eerste hertenkalf mocht ik, onder toezicht van Houtvester Beijer op 4 april 1907 op het Aardhuis schieten, op 10 oktober 1907 een kreupele hinde in het Hertenkamp die altijd alleen stond en op 27 februari 1908 op het Aardhuis een knobbelbok, het ontbrak mij echter niet aan jachtkoorts, waar wel niemand aan ontkomen kon. Er volgden nog heel wat stukken wild, alles heb ik keurig in des deutschen Wardmanns Schussliste bijgehouden tot en met 1960, het zijn 875 stuks roodwild, 236 stuks damwild, 12 ruien, 155 everzwijnen en 1 gems in Opper-Oostenrijk. Totaal 1279 stuks.

Hofjager Jan Spek

In de latere tijd van mijn hofjagersambt van augustus 1914 tot oktober 1955 droeg Z.K.H. de Prins mij op, om een album samen te stellen van al zijn gewezen hofjagers.

Nr. 1 Karl Vogt, in dienst gesteld 1 januari 1901. Hij huwde Bertha Scheuermann, een Hegemeister dochter uit Altenbetau in 1902. Hij vertrok 1 oktober 1907 als förster naar Neuenhausen. Woonde als eerste op het Jagershof.

Nr. 2 Bruno Wasgien, in dienst gesteld 1 januari 1901. Hij huwde een förstersdochter uit Kohsten bei Reddenau in Oost-Pruisen. Overleed aan een ernstige keelziekte op 29 januari 1903 te ’s-Gravenhage

Nr. 3 Alfred Bendix, in dienst gesteld 1 april 1903, bleef ongehuwd en vertrok 24 september 1905 als stationsjager naar Neukloster in Mecklenburg-Schwerin.

Nr. 4 Otto Koch, in dienst gesteld 1 december 1905. Kwam gehuwd naar hier, en vertrok 17 september 1906 als stationsjager naar Grambow bei Wittenförden (Schwerin).

Nr. 5 Wilhelm Schwedhelm, In dienst gesteld 1 november 1906. Kwam gehuwd naar hier en vertrok op 1 juli 1911 als förster naar Diezhausen.

Nr. 6 De eerste Hollander, Hendrik Wijnen, in dienst gesteld 1 oktober 1907. Huwde met Nelly Kooy en overleed plotseling op het Jagershof op 17 mei 1915.

Nr. 7 Ernst Ritcher, in dienst gesteld 10 oktober 1911. Gesneuveld 20 september 1914 te Villoux Bois (Noord-Frankrijk). Was ongehuwd.

Nr. 8 J.F. Vogel, in dienst gesteld augustus 1914 als zodanig gepensioneerd op 65-jarige leeftijd 20 oktober 1955. Huwde 20 oktober 1915 met H.H. ten Tuynte, woonde al die tijd op Jagershof tot 1963. Betrok als weduwnaar zijn eigen woning aan de Badhuisweg 107 te Apeldoorn.

Nr. 9 Jan Spek, in dienst gesteld november 1915. Vertrok 13 maart 1919 naar de boswachterij Gortel. Huwde de dochter van jachtopziener Dirk Rondhuis. Overgeplaatst in 1934 naar Hoog Soeren. Overleden 25 januari 1953. (Van nr. 9 gaat hij verder met nr. 11)

Nr. 11 Dirk Rondhuis, in dienst gesteld 1 maart 1919 op 1 mei 1928 benoemd tot boswachter van de boswachterij “Het Loo”. Gehuwd met T. Bakker. Overleden den ?

Nr. 12 W. Spek, in dienst gesteld 13 september 1928, was daarvoor enige jaren werkzaam in Dobbin, op het landgoed van Z.K.H. de Prins. Gepensioneerd januari 1939 wegens hem overkomen ongeval (auto-ongeluk) met Z.K.H. Prins Bernhard, eind ’37.

Dit waren de 12 hofjagers, die dienst gedaan hebben tot het overlijden van Z.K.H. de Prins in juli 1934.


Nu weer terug naar de voorgeschiedenis

Het eerste ontginningsproject door Z.K.H. Prins Hendrik is geweest een heidecomplex groot +/- 45 hectare, dat gelegen was ten noorden van het Koninklijk Park tot aan de Grindweg van Het Loo naar Wiesel. Het was het voormalig schietterrein der Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe opgericht door Zijne Majesteit Koning Willem III. Er waren vier gegraven putten aanwezig die drinkwater moesten leveren. Onder toezicht van houtvester Beijer en de boswachter W. Berkenbos werd met paarden geploegd. Op Emma’s Oord was ondertussen een flinke paardenstal gebouwd en werden tevens de benodigde werkpaarden gefokt. De prachtige hengst Sarrasin en enige flinke merries werden aangekocht (Bertha en Fortuna). De paarde knechts Balk en Hamer ploegden genoemde heide om. En jammer genoeg werd te dicht langs één der putten geploegd, zodat de zaak instortte en het paard Fortuna in de put zakte. Zij had een been gebroken en moest, het kon niet anders met een schot worden afgemaakt.
Het geheel werd beplant met twee jaar grove dennen en bij de putten werd larix geplant. In het oosten werden twee terreinen bestemd voor kwekerij en in het westen, langs de grintweg ook acacia’s geplant. Dat gebied kreeg de naam van “Prins Hendrik Park”. Westelijk daarachter grenzend lag het zogenaamde Koningsbos, waar ook door de Scherpschutters geschoten werd, de opgeworpen kogelvangers getuigen hier thans nog van. Op oude topografische kaarten stond vermeld ,, Terrein van H.M. de Koningin Regentes”. Z.M. Koning Willem III heeft dit bos dus klaarblijkelijk aan zijn 2e gemalin geschonken.

Na 1911 werden nog enige leerlingen bij de houtvesterijen van Het Loo aangenomen namelijk Laurens Johannes Marinus Baaij (1892) en Willem Jacobus Karel Baaij (1894), beide zonen van de Rijknecht Majoor bij het Koninklijke Stal-departement.
Laurens slaagde niet voor het toelatingsexamen der Heide Mij. en is later op het Koninklijk Huisarchief te werk gesteld. Willem Baaij toonde weinig interesse voor het bosvak en was enige tijd de leerling van Houtvester Mulder. Willem gaf deze te kennen maar liever naar de hoofdcursus te Kampen te gaan, teneinde voor officier opgeleid te worden. Genoemde houtvester raadde hem dit ten sterkste af, want zij deze, officier zul je nooit worden. Hij werd later de bekende Generaal bij Staf !!
W. Bestens was de zoon van de hoefsmid bij het Koninklijk Stal-departement, slaagde ook niet voor toelating Heide Mij. werd nog beheerder van het Orderbos te Apeldoorn en eigenaar van het Park de Kievit te Den Haag.

Voor zover ik mij herinner, deed ik mijn werk van 1911 tot 1929, bij de Koninklijke Houtvesterijen onder de opper-houtvester G.E.H. Tutein Nolthenius als chef. Was er hofjagersdienst te vervullen, dan werd ik vrijgesteld van andere werkzaamheden. Ik ontving van de heer Tutein Nolthenius een portret van hem, als herinnering aan de jaren 1911-1915. Hij trad toen af als rentmeester als rentmeester van het Kroon Domein, beheerde tot die tijd de boswachterijen Hoog-Soeren Zuid, West en Noord. Er moest een nieuwe rentmeester in zijn plaats komen en Z.K.H. de Prins had gaarne, dat dit iemand zou zijn, die ook véél voor het jachtbedrijf voelde. Hij raadpleegde houtvester Beijer die met zijn gezin reeds bevriend was met de heer J.C.E.C.N. Mulder, houtvester bij de Nederlandse Maatschappij, die het landgoed Staverden van de families Jacob beheerde. Deze, wonende in de ,,Villa Gentiana” te Staverden, werd gepolst en werd bereid gevonden om de betrekking van Koninklijk Houtvester, Rentmeester over Hoog-Soeren te aanvaarden.
De heer Nolthenius bleef tot april 1929 als Opper Houtvester en Jagermeester over alles werkzaam. Op 10 april 1929 bood hij de heren Houtvesters zijn bos- en bureaupersoneel waaronder ook mijn persoon een diner aan in Hotel de Keizerskroon op Het Loo.
Hij kwam op zijn bureau dat in de Koninklijke Stallen gevestigd was altijd in zijn Phänomobiel, bestuurd door zijn chauffeur Eibert van den Berg. Na al die tijd op zijn landhuis ,,Het Woldhuis” te hebben gewoond vestigde hij zich later te Gorssel waar hij 27 mei 1930 als weduwnaar is overleden. Hij werd op het kerkhof te Apeldoorn aan de Soerenseweg te rusten gelegd. Z.K.H. met zijn adjudant en ik als hofjager in ,,groot tenue” waren hierbij tegenwoordig. De prins hield bij deze gelegenheid een voortreffelijke toespraak, waarin hij de overledene grote dank bracht voor al hetgeen hij voor de Koninklijke Houtvesterijen had verricht.

In den beginne 1906 was de heer Beijer Koninklijk Houtvester over de boswachterijen Het Loo en Uddel. In de Koninklijke Houtvesterij Gortel, die bestond uit de boswachterijen Niersen en Gortel was tot Houtvester benoemd de heer W.A. Salm, afgestudeerd te Wageningen. Deze nam ontslag en kocht de Griftse Molen onder Vaassen en in zijn plaats werd als Houtvester de heer Jhr. Max van de Poll. Hij werkte evenals de heer Salm, met de Bosbaas J. Brummelkamp te Niersen en A. Slijkhuis te Gortel. Vanwege de grote ontginningswerkzaamheden die plaats vonden, werd ook de nieuw benoemde Boswachter C. Kranendonk in dienst genomen, hij was bevriend met Boswachter W. Berkenbosch en kwamen van dezelfde school in Frederiksoord.
Jhr. Van de Poll verdween ook weer spoedig daarna, hij had het kasteel Mersch in Luxemburg van een tante geërfd en ging daar wonen.
Intussen werd de heer W. Brandsma tot Houtvester over de Houtvesterij Gortel benoemd. Het huwelijksdiner op Heimerstein met Jkvr. Ch. Schimmelpenninck werd bijgewoond door Z.K.H. de Prins, ik ging mee als Hofjager.
Mijn schoonvader, een bekend architect te Apeldoorn, W. ten Tuynte, werd opgedragen een boshuis te Gortel te bouwen, hetgeen in 1916 geschiedde. Er werd tevens een stalling en jachtkamer aan verbonden, menig jachtdiner is hier met Z.K.H. de Prins en Bernhard gehouden. Mijn schoonvader ging ook nog enige jaren met de Houtvesters Beijer, Brandsma en Mulder de huizen van H.M. de Koningin bekijken en stelde de begrotingen samen van de reparaties die nodig waren. In deze woningen woonden dan het bospersoneel en menig arbeider, die werkzaam was in de bossen. Hij ontving hiervoor fl. 50,- per jaar, maar beschouwde dit als een vererende opdracht. Daarna werden deze werkzaamheden overgenomen door de heer P.K. van Gelder, hoofdopzichter der gebouwen.

Z.K.H. Prins Hendrik stelde er tevens prijs op dat ik in Mecklenburg ervaring zou opdoen betreffende het jachtbedrijf. In augustus 1912 werd ik naar Gelbensande in Mecklenburg gezonden, een pracht jachtterrein met jachtslot van de Groot Hertog Friedrich Frans. Het lag ca. 20 km. Ten oosten van Rostock en grensde ten noorden aan de Oostzee, terrein bestond hoofdzakelijk uit beuken- en eikenwouden met daartussen vruchtbare heidegebieden voor het wild. Ik werd gastvrij ontvangen door Förster Bernard Starck en zijn echtgenote, alsmede zijn beide zonen, maakte tevens kennis met het verdere bos- en jachtpersoneel. Van tijd tot tijd kwam de Groothertog met zijn echtgenote op bezoek en onderhielden zij zich ook met mij, informeerde over Het Loo en stelden belang in mijn vorderingen in Gelbensande. Het was hoofdzakelijk ook dat ik mij kon bekwamen in het maken op “koud” spoor met de zweethond van Starck, vroeg op en later op de dag uitwerken van het spoor. Onze Prins kende Starck van de Schweisshundeprüfungen die hier en daar werden gehouden en zodoende kwam ik bij hem in de leer. Van alles maakte ik mee, bosbouw excursies, vooral het roodwild leren aanspreken op de grazige weiden, al kende ik dit al wel van Het Loo. De geweien waren wel zwaarder en endenrijker dan bij ons. Prijsschieten in het naburige “Schwarzenpfost” was ook iets buitengewoons, al het bos- en jachtpersoneel was daar tegenwoordig en ’s avonds het grote feest der prijsuitreiking met het nodige bier en schnaps, en pellkartoffeln en hering!
De tijd van afscheid nemen brak weer aan en voor mijn “Keurig” gedrag mocht ik een reebok afschieten, dit was op 24 september 1912. De terugreis ging eerst naar Friedrichsmoor, waar Prins Hendrik in het jachtslot zijn intrek had genomen. De Prins zou aldaar een bronsthert schieten en de heer Von Maltzahn als Jägermeister en ik brachten de Prins op zijn post in de vroege morgen. Het bedoelde hert trok met zijn groot roedel kaalwild voorbij Prinsen stand en er viel echter geen schot. Met onze verrekijkers ontdekten wij, dat Z.K.H. rustig was ingedut en een harde roep van de heer Maltzahn deed de Prins ontwaken. Hij schoot daarna en we zagen het hert al spoedig vallen, goed bladschot! Z.K.H. maakte even zijn verontschuldiging, het was de avond te voren ook wel héél laat geworden. Waidmannsheil gewenst en intussen was de plaatselijke revierjäger ook gekomen op het schot. Het hert werd door hem ontweid en het gewei besproken, goede dikke zware stangen, 12 ender. Z.K.H. informeerde of de afworpstangen van dit hert ook in het voorjaar gevonden waren en dit was werkelijk het geval. De revierjäger kwam er mede op het jachtslot, rechts 12 en links 10 ender. Z.K.H. kocht deze stangen en schonk deze mij als herinnering aan deze succesrijke ochtend. Zij werden op Het Loo op schedel gezet en prijken thans in de hal van het woonhuis mijner kinderen te Haaksbergen. Bij mijn verhuizing in 1963 van Het Jagershof Het Loo naar Apeldoorn kon ik niet veel medenemen. De terugreis ging toen via Berlijn weer naar Het Loo. Gelogeerd werd in het prachtige hotel Espanade in de Bellevuestrasse, aldaar.

Op het Loo werden de grote winterjachten voorbereid en gehouden met veel duitse heren. ’s Prinsen grote vriend Graaf Ch. Von Rhoden, kwam ook in de bronst vanuit Berlin-Charlottenburg, naar het Loo. Genoemde graaf diende samen met onze Prins in het Garde-Jägerbataljon te Potsdam als Hauptmann. Ik werd dan gedurende deze jachttijd, als de graaf op Het Loo vertoefde, aan hem toegevoegd en werd zowel vóór- als namiddags er op uit gegaan. Voornamelijk werd dan slecht kaalwild en slechte herten afgeschoten. Bij de aankoop in 1907 mvan het Gortelsebos aan Z.K.H. werd vastgelegd dat de heren van het Gortelse grofwild gezelschap twee dagen de gasten zouden zijn van onze Prins. Nà afloop werd dan één avond op Paleis Het Loo gedineerd en één avond boden de heren de Prins een diner aan in Hotel de Keizerskroon op Het Loo. Dit gezelschap heb ik ook nog op een grote foto staan, de namen staan er achterop vermeld. Het ging er dan steeds zeer genoeglijk toe op deze jachten. Z.K.H. had geen belang zelf veel te schieten en gaf de beste plaatsen aan zijn gasten.

Terwijl ik dit schrijf zijn geen dezer heren nog in leven. In 1914 werd ik dan voorlopig aangesteld als Hofjager en had Hofjager H. Wijnen als collega. Hij was reeds gehuwd en woonde op het in 1902 gebouwde Jagershof in het Koninklijk Park. Toen Z.K.H. in 1901 huwde bracht hij Duitse Hofjagers mee naar Het Loo. Deze dienden in het Jägerbataljon in Potsdam hadden ook de Försterschule bezocht. Zij werden op Het Loo in pension gebracht, er waren taalmoeilijkheden en ook zij wenste gaarne te huwen. Als verjaarsgeschenk schonk H.M. de Koningin, de Prins op 19 april 1902 het Jagershof. Achter het huis kan men dit nog lezen in de gedenksteen. Vlug daarna trokken K. Vogt en B. Wasgien in deze woning die ik reeds eerder vermeldde.
Wijnen en ik hadden beurtelings dienst in Den Haag. Dikwijls bezocht de Prins de Baron van Pallandt op huize Duinrell te Wassenaar, waar patience werd gespeeld. Daar bevond zich een grote reigerskolonie, waarvan de Prins gaarne er enige overtollige van schoot. Wij schoten dan beurtelings, Z.K.H. had hierin veel plezier. De allermooiste exemplaren werden dan opgezet met mooie aigrettes, één voor Z.K.H. en één voor mij. Dit opzetten werd dan toevertrouwd aan de kamerdienaar Röell, van H.M. de Koningin Moeder, hij was een bekwaam vogelpreparateur in Den Haag, Na jaren in mijn jachtkamer geprijkt te hebben, kwam er tenslotte enige aftakeling in de reiger en wilde de padvinders te Apeldoorn deze graag hebben voor hun clubhuis, alsmede een opgezette korhaan.
Gedurende de tijd vóór 1923, hadden wij nog met de toen heersende oude jachtwet te doen en behoorde de gehele gemeente Apeldoorn tot het jachtrecht van de regerende vorst, de ,, Heerlijkheid van Het Loo” +/- 38.000 ha. groot.
Er werden dan ook nog grote kleinwild hofjachten gehouden te Uddel, Kerschoten, Wenum, Beemte en Anklaar waar goede tableaux werden verkregen. Onder Loenen waren goede korhaan baltsplaatsen. De jachtopzieners die deze buitengewesten bewaakten waren Bieshaar, J. en W. van Asselt, H. Bijdam, R. Van den Brink, J. Hulleman en H. Beekman. Wouter van Asselt woonde in een gehuurde woning te Beekbergen en droeg de heer Tutein Nolthenius mij op, om met van Asselt polshoogte te gaan nemen betreffende de baltsplaatsen. Tussen de Woeste Hoeve en Terlet lag een bergje, het Hemeltje genaamd en vandaar uit liep een heidepad in oostelijke richting naar de baltsplaatsen. De gaten werden gemaakt en wanneer alles in orde was bevonden ging Z.K.H. met mij om half 3 in de vroege morgen naar het Hemeltje. Daar stond de oude Wouter van Asselt dan gereed met zijn lichtstok om ons naar de kuil te brengen. Z.K.H. genoot dan, en ik ook, van de zang der leeuweriken, daarna begonnen de koekoeken in het Loenensebos te roepen en al spoedig kwamen korhanen en hennen aangevlogen. Wel 25 hanen en hennen boden ons een mooi schouwspel. Z.K.H. voelde het ogenblik nu aankomen om een oude mooi blauw glinsterende haan te schieten. Wanneer dit gelukt was, dan de haan laten liggenen niet uit de kuil gaan, dit zou alles verstoren. Alles vloog weg na het schot, doch het duurde niet lang of een groot gedeelte kwam weer terug.
Wij schoten beurtelings en keerden meestal met 7 à 8 hanen huiswaarts die er heus wel af konden.
Er werd in die omgeving ook veel ontgonnen door de ver. Van stuifzandontginning en de heer Kerkhoven. Veel schade werd dan ook ondervonden door het afbijten der knoppen uit de geplante grove dennen. Drie à vier ochtenden ging Z.K.H. naar het Hemeltje.
Nu ik het nog over de oude jachtwet heb van vóór 1923, werden door de toen aangestelde hofjagers, hazen geschoten voor de Koninklijke Keuken. Wij deden dit meestal op zaterdagen in de terreinen Anklaar – Beemte – Schoonbroek. Jachtopzieners J. van Asselt en Jan Hulleman dreven dan voor ons. De grondeigenaren begonnen hevig (tegen het einde van de jachtwet) danig tegen ons op te staan en wilden ons van hun terreinen afjagen. Zij lieten hun honden overal door jakkeren om ons te plagen. Al het wild werd dan aan het Paleis afgegeven. De heer Tutein Nolthenius bracht ik dan verslag uit over het aantal. Was de buit groot, dan mochten wij en de jachtopzieners ook een haasje behouden.
Het terrein Wiesel en Wenum werd de Intendant J.A. van Steijn toegewezen en bewaakt door H. Bijdam. Deze maakte er ook dankbaar gebruik van en mocht het geschoten wild behouden.

Toen de nieuwe jachtwet 1923 eindelijk haar beslag kreeg, verviel hiermede het Jachtrecht aan de Kroon. Als recompensatie moest door de eigenaren dezer gronden een jachtrente betaalt worden, die op het grondbelastingbiljet werd vermeld, gedurende 29 achtereenvolgende jaren. Dit was een geweldig uitgezoek en de heer Tutein Nolthenius droeg de toen aanwezige, op het bureau der Koninklijke Houtvesterijen werkzaam zijnde heer Baron R. de Constant Rebeque en mij op, dit alles op het kadaster te Apeldoorn eens na te gaan zien. Grote lijsten met de namen der eigenaren en de grootte hunner percelen, alsmede de hoedanigheid dezer gronden, werden opgesteld. Rondom de kernen en dorp Apeldoorn, Beekbergen, Loenen, alle dus gelegen in de gemeente Apeldoorn, moest een straal van 5 kilometer worden getrokken, want deze gebieden mochten wegens gevaar niet bejaagd worden volgens de nieuwe jachtwet, dat allemaal een vreselijk gezoek en gereken van ons beide vergde. De heer Tutein Nolthenius zag dit ook in en werd dit werk verder verzorgd door belastingambtenaren. De bekende afbakeningspalen, waarop de borden vermeld stond ,, Heerlijkheid van Het Loo” konden verwijderd worden.

Wat de grofwildjachten betreft, herinner ik mij nog het door Houtvester Beijer ingerichte “Eingestelltes Jagen” in het Doorngat. Het was uitsluitend voor de wilde zwijnenjacht bestemd. Deze werden op diverse plaatsen opgevangen en in kisten geladen en naar het Doorngat gebracht.
Voor de arena werden van de spoorwegen afgekeurde spoorbielzen gekocht. Het geheel werd omrasterd met stevig gaas en de standen in het rond +/- 30 meter van het raster verwijderd, opgesteld. Telkens werden den zwijnen door opentrekken van schuiven vrij gelaten en mocht alleen in de richting van het gaas geschoten worden. Het gemiste zwijn kwam dan bij zijn buurman enz, geheel in het rond. Foxterriërs deden hun plicht en keften de zwijnen voorwaarts. Eén en ander werd op zekere keer bij het dagblad ,,de Telegraaf” bekend en stond er een groot artikel over deze jachtwijze, met de nodige foto’s in deze courant. Dit was nu niet bepaalt geschikt voor anti-jachtlieden en werd aan dit systeem een einde gemaakt. Op deze manier van jagen was men wel overtuigd van een groot aantal zwijnen te verkrijgen. Thans wordt op de jachten zo gehandeld, dat een mis geschoten zwijn, zijn vrijheid heeft verkregen. De wildboeken berichten nog van het groot aantal zwijnen, die in het Doorngat geschoten werden.

Jachtopziener Gerrit Spek bij de Echoput.

Toen Z.K.H. in 1901 zijn intrede deed op Het Loo, trof hij nu niet een bepaald sterk soort roodwild aan. Zwijnen waren er niet en werden de eerste uit Mecklenburg, later uit Bûckeburg naar hier verzonden. Bij het loslaten was ik als kleine jongen wel eens tegenwoordig. Wat waren die Mecklenburger herten veel groter dan onze. De geweistangen waren afgezaagd anders konden de herten niet in de kisten.
Houtvester Beijer stelde de Prins voor een spitser te kopen uit een wildpark te Greiz in Vogtland. Deze werden in een Jagdzeitung aangeboden. Deze spitzer werd losgelaten op de Soerense Heide. Hij werd in zijn ontwikkeling goed gevolgd door de Jachopziener G. Spek Sr. Die in de woning tegenover de Echoput woonde. Gevoerd werd aan de Halve Maan. Hij heeft het vele jaren uitgehouden. De serie stangen hangt in het Paleis. Alleen het spitsergeweitje is niet echt. Kon niet gevonden worden, is dus nagebootst. Dit hert was afkomstig van een kruising Europees roodhert – Mapoti. Aan de geweien is dit alles merkbaar te zien. Het echte, dus afgekookte, laatste gewei bracht enige ontstentenis te weeg. Jachtopziener Spek zag een troep kraaien in de hei opvliegen, ging er heen en zag de ,,Greizer” dood met een schotwond. Hij had een dag tevoren jhr. Backer, de adjudant van de Prins over de hei zien rijden en daarvoor ook een schot gehoord. Bij navraag wist de heer Backer echter van niets, zodat toch steeds het vermoeden bleef bestaan, dat hij zijn fout niet heeft durven mede delen.

EINDE